Van een otter...
Naar de werkelijkheid...
Veel jaren geleden lag de Roest in het noordoosten van Buggenhout erbij als een brokje prachtig natuur en landbouwgebied.
Bosjes, houtkanten, weiden en akkers wisselden elkaar af als een oase van rust. Kronkelende wegeltjes brachten de boeren en wandelaars op de gewenste plaats. Lange rijen knotwilgen langs beken en grachten waren de geschikte broedplaats voor alle soorten vogels. Groepjes jonge rakkers vonden er dan ook de gepaste plaats om vrij te ravotten.
Dwars door bosschages, rietkragen en weiden stroomde de Opdorpse Beek met grillige meanders als een zilveren lint noordwaarts. Dat was de natuurlijke grens tussen Opdorp en Buggenhout. Toen kreeg de Opdorpse Beek nog eb en vloed zoals de Schelde en was ze een paradijs voor de jonge vissers van stekelbaarsjes.
Door de Roest trok dagelijks op steeds hetzelfde wegeltje, in gepaste tred, jachtwachter "Baas", een zekere Van Gucht uit een klein huisje in de Beekstraat. leder kende zijn zwarte, hoekige gestalte, het hoofd diep tussen de schouders. Alle kinderen ontweken hem. Toch hebben we die man nooit iets horen zeggen. In een bosje aan de rand van de Opdorpse Beek had hij een wachthuisje: een betonnen hokje met klein rond venstertje van waaruit hij heel de Roest in `t oog hield. Dit hokje bestaat nog steeds.
Verspreid over heel de oppervlakte van de Roest lagen nog verschillende rootputten stil te dromen van lang vervlogen tijden, toen de boeren het vlas nog te roten legden. Eén van deze rootputten was de "Meir", de grootste en mooiste van allen. Men vond hem dicht bij de Heuvel. De Meir is nu verdwenen, slachtoffer van de moderne tijd.
Met die gedachten en dit beeld in het hoofd, kan men stil verpozen en mijmeren...
Over de Meir en nog wat, zullen we het nu hebben...
Het deed al enkele dagen hardnekkig de ronde: in de Meir zit een gevaarlijk beest, een otter zegt men, volgens sommigen een geweldig grote. Zjef had het gehoord van Pier en die van Treze, deze van Marjet. leder wist het. Er kwam geen einde aan de fantasie. Die otter had al een kind in de arm gebeten. Een jonge man werd er door aangevallen en moest lopen voor zijn leven. Zo'n otter is een verschrikkelijk beest. Hij ligt op de loer en grijpt zijn prooien waar hij ze krijgen kan. Volgens een vrouw uit Baasrode kruipt die otter in een boom en bespringt zo zijn slachtoffers. Het kwam zover dat alle kinderen verbod kregen nog naar de Roest te gaan, want die otter kon overal zitten. Zo'n beest mag men niet vertrouwen.
Sofie had van Zjang gehoord dat die otter `s nachts zo goed ziet als overdag en daardoor ook `s nachts slachtoffers maakt! Men wist zelfs goed van mensen die het konden weten dat die otter `s nachts tot in de tuin van Marie van Charel was geraakt en tien kippen had opgevreten! Stel u voor! Van dan af leefden alle kippen in de omtrek opgesloten in hun hok.
De Meir, trekpleister voor wandelaars en jonge lieden, lag op enkele dagen verlaten als een woestijn. Men zou voor minder wegblijven. Zo'n otter is geen schoothondje.
Zjang van Kamiel van Arjet kon er ook over meespreken, maar die heeft geluk gehad, hij zette het op een lopen toen hij de otter zag en kon nog juist op een boer z'n kar springen, waarna de otter weer in `t water van de Meir sprong!... Zjang wist te zeggen dat hij nog nooit zo'n vreselijk beest had gezien!
Vinus die dichtbij de Meir woonde en vertrouwd was met alles wat er in de Roest gebeurde, zat al dagen te broeden op een plan: hij zou die otter levend vangen en er veel geld voor krijgen. Vinus sliep niet meer, hij maakte plan na plan, maar stuitte op moeilijkheden. Toch moest het lukken!
Maar terwijl Vinus plannen maakte, was er een andere die werkelijk schade leed door de otter. Het was Noeë en die had een aardappelveld dat half verwoest werd door de otter. Noeë sprak met niemand over zijn plan... Hij en hij alleen zou die otter klein krijgen... Zo gebeurde het...
Een hele dag had Noeë bezig geweest met plannen maken en timmeren. Nog deze nacht moest het gebeuren. Hij schikte alles op zijn gammele kruiwagen. Noeë had aan alles gedacht. Hij wist dat een nacht lang kon duren en dat alles kon mislukken, maar dan zou hij herbeginnen. De otter moest eraan!
Toen het stilaan begon te duisteren reed hij langs de karweg naar zijn geteisterde akker. De oude kruiwagen rammelde en schokte, maar Noeë hoorde of voelde het niet, hij had andere zaken aan `t hoofd.
Naast zijn akker schikte hij alles zoals hij het goed vond en plaatste zijn val zó dat de otter er gemakkelijk kon inlopen. Vanop zijn kruiwagen kon Noeë alles zien en horen wat er gebeurde. De otter zou in de val lopen en er niet meer uitkunnen. Dan komt Noeë en slaat de otter morsdood. Simpel, maar...
Het werd een zachte, klare en mooie zomernacht. Noeë zat op zijn kruiwagen te wachten. Hoelang, dat wist hij niet, hij zou wel zien als de nacht ten einde loopt. Toch kwam de slaap en de verveling. Hij nam een boterham met een slok zwarte koffie en zette zich recht. Hij voelde zijn stramme spieren en wandelde stil op en neer. Noeë keek rond... hij kende de Roest als zijn broekzak. Maar zó had hij het nog nooit gezien. Kijk! Ginder ligt Opdorp en hij zag een eerste lichte zonnestraal boven de populieren de morgen aankondigen. Een vroege merel vloog op en floot in alle toonaarden z'n ochtendlied. Alles begon te leven. Noeë stond stil, diep ontroerd door de schoonheid van zo'n zomermorgen. Hij keek naar de hemel en zag de duizenden sterren en de maan, die als een lapje kaas tegen de hemel plakte.
"Zó groots", zei Noeë stil en ontroerd, "maar daar, wat hoor en zie ik ? Potverdekken, den otter'. Inderdaad. Langzaam kroop de otter richting val. Noeë begon te zweten van alteratie. De otter kwam dichter en dichter. Noeë zat gespannen, zijn rechtervuist omknelde een zware essen stok en daar gebeurde het... de otter liep in de val... Noeë sprong naar voor en daar plofte de eerste slag van de stok op de kop van de otter. Een afgrijselijke schreeuw van pijn scheurde door de heilige stilte van de Roest. De slagen volgden elkaar nu op in snel tempo. De otter huilde en brulde, maar stilaan zakte het huilen naar stil gejank. De otter gaf zich gewonnen en krepeerde met wat stuiptrekkingen en licht gereutel.
Noeë liet zijn stok vallen, zijn benen beefden en hij wreef met de rug van zijn hand het klamme zweet van zijn voorhoofd. Hij fluisterde bij zichzelf: "Zover zijn we, dag otter"... Dan bekeek hij het bebloede dier, sleurde alles op de kruiwagen en vóór `t vertrekken blikte hij nog even naar zijn verwoest aardappelveld en murmelde: "Ik moest wel otter, `t was mijn plicht". Terwijl Noeë vermoeid maar toch gelukkig en een tikkeltje fier naar huis reed, was men daar reeds bezig alles gereed te maken om hem en ook de smerige otter te ontvangen.
Het schuurtje stond al vol buren die van de komst op de hoogte waren. Toen Noeë binnenkwam met kruiwagen en otter steeg een gejuich op en Noeë werd door iedereen proficiat gewenst en bedankt. Noeë zette de kruiwagen in `t midden, zodat iedereen kon kijken. Wat er dan te horen viel tart alle verbeelding. De betweters en filosofen hadden `t hoge woord. De otter werd er beschreven als een bloeddorstig roofdier dat voor niets of niemand terugdeinsde.
Tussen al het geratel en gebabbel werd buiten een mooie zomerdag geboren...
Plots ging het deurtje open en daar stond meester Zjef, een onderwijzer uit de buurt. Stilte in `t schuurtje. Zjef keek rond, groette ieder en sprak tot Noeë: "Proficiat, hier ligt hij zeker?"
Noeë knikte en lachte ietwat onwennig. De meester stond voor de kruiwagen en keek, maar sprak niet. Hij legde even zijn hand op zijn gitzwarte haardos en fronste de wenkbrauwen. De meester boog zich voorover en zakte even door de knieën. Als door een wesp gestoken sprong hij recht en vloekte: "Miljaar, miljaarde ... dat is geen otter en `t is er nooit ene geweest!"
Het vervolg lees je in Ter Palen, 28e jaargang, maart 2004, p. 9 e.v.
Oude winterfoto
van de Roest
met de Zwarte BeekTwoin BOOËS
in `t schoeë Vloms
Antoon Buys
Terug naar ARCHIEF: Gepubliceerde artikels