Nostalgie bij een molenromp: 

de Weiveldmolen

Lang geleden - we kunnen er geen jaar opplakken - was het uitgestrekte Weiveld, omzoomd door Kerkstraat, Hanenstraat, Hauwerstraat, Heuvel en Kamerstraat, een oase van welige akkers, groenende weiden en stromende beken met kristalhelder water. Enkele bedrijvige boerderijen en kleine huisjes vlekten rood-bruin in die kleurige vlakte. Er stond een windmolen, die als een zegen zijn kruis sloeg over de velden en landerijen. Het scheen een wenkende reus in dit weidse Weiveld

Aan de voetwegeltjes en rijbanen, getekend op oude kaarten, kon men opmaken dat die molen waarschijnlijk gebouwd werd op de plaats die men nu Klaverveld noemt. Later kwam een druk bezocht Mariakapelletje meer noordwaarts de vlakte verrijken en sieren. In 1837 moest het plaats laten aan de nieuwe spoorweg en verhuisde meer zuidwaarts, waar het nog altijd staat. Men noemt het nu nog het Weiveldkapelletje.

Laten we nu de molen bezoeken. Hij was eigendom van een “heer”, die het recht had een molen met aanhorigheden te bouwen en te verhuren voor een bepaalde tijd. Het was een houten windmolen, van welk type weet men niet en dat kan men nog moeilijk achterhalen. In ieder geval, hij was de voorganger van de huidige Weiveldmolen.

Onze gedachten blijven nog even verwijlen in een ver verleden... Het moet daar mooi geweest zijn in dit grootse Weiveld, als de bloesemwierook van de meimaand over de vlakke velden hing. De weiden en akkers geurden om dieper adem te halen en te genieten van de ongereptheid van zo’n heerlijke en stille bloemenvlakte. De zomers gaven ‘t wiegende goud van de rogge-, tarwe- en havervelden, het hemelsblauw van de vlasbloem en ‘t felle geel van het koolzaad. Wanneer het najaar zijn intrede deed met Bamistijd, de tijd van het pachtgeld, lagen alle velden kaalgeschoren en bogen en plooiden de lange rijen popels in felle najaarsstormen en regenvlagen. 
‘s Winters werd er gewerkt in schuren en stallen en kregen de kleine huisjes, nog veel met strooien daken, een opknapbeurt. Kinderen vonden hun pret op het ijs van beken, poelen en rootputten. 
‘s Avonds werd er bij het knappend haardvuur saam gebeden, maar ook door steeds dezelfden, met veel inbeelding, verteld van Janneken en Mieken, de twee brave kindjes, doch ook van spoken en heksen; van “kledden” en “de zwarte madam”; van duivels met bokkenpoten en van afgezette pastoors, die brave kinderen naar de hel lokten; van feeksen en toverkollen met zwarte puntmutsen, die op een bezem gezeten door de lucht vlogen en bij ‘t licht van een toverlantaarn, verschrikkelijke schreeuwen uitstootten, die men tot in Lippelo-bos kon horen; van monsters met acht poten zo hoog als een huis en die een mens konden binnenschrokken in één hap; van tovenaars, die met een hokus-pokus-pas, een koe konden omtoveren in een zwarte kat en een mens in een varken (dit laatste gebeurt nog veel). Na zulke vertellingen sliepen de kinderen niet goed!

In 1690 werd op de plaats van het huidige Weiveld, een nieuwe houten windmolen gebouwd, zonder molenhuis. Dit stond in de Bovendonkstraat. Waarom? Het blijft een raadsel. Later is het huis toch bij de molen gekomen. 

De tijd raasde verder en de houten molen werd gedumpt, er kwam een nieuwe stenen molen. Daarvoor werden de stenen met kruiwagens aangevoerd van een schip op de Schelde. De voerders wisselden mekaar af, gezien de zware arbeid. De nieuwe fiere molen werd gedoopt en kon draaien... als er wind was. 
Hij kende ook zijn wel en wee. Omstreeks 1860 werd hij door brand geteisterd. Twee eigenaars-maalders kwamen er nog hun geluk beproeven vóór Arthur De Decker er vaste eigenaar werd. Hij kocht de molen in 1893. Hij en zijn vrouw Hortense Heyvaert, runden het bedrijf en van de molen mocht men zeggen: “Hij draait goed”. Arthur was een fiere molenaar, die vanop de molenberg de heerlijke velden kon overschouwen, die als een kleurig tapijt uitgerold lagen en die aan de einders één werden met de lichtblauwe hemel in een aureool van zon. De molen werd een inspiratiebron van menig dichter en schilder...

Tegen ‘t fel azuur der luchten
maalde de molen fier en hoog,
de cirkel van de duivenvluchten
omvatten hem in wijde boog.

In het gezin van Arthur en Hortense werden twee kinderen geboren, Camiel en Maria. Ook de molen kende een metamorfose. Hij werd onthoofd en verloor veel van zijn schoonheid en luister. De machtige wieken werden vervangen door een met stoom aangedreven machine, die de mensen met verstomming sloeg. De wieken hebben jaren vóór het molenhuis gelegen, misschien als getuigen van een schoon verleden...

Antoon Buys

Het vervolg van het artikel lees je in Ter Palen, 30e jg. nr. 1 p. 1 - 7


naar "Nostalgie


Naar index

Deze pagina is een onderdeel van een site met frames. Als je geen navigatieframe ziet aan de linkerzijde, kun je via deze knop naar de indexpagina.