Wat was er van de Boerenkrijg? (2)
(Ter Palen 23e jg. nr. 1)
Een hardnekkig verhaal
Tot in de oorlogsjaren 1940 - 1945 werd er in de huiselijke kring rond de warme Leuvense stoof nog veel verteld. Zo werden er overleveringen uit veel vroegere tijden doorgegeven van generatie op generatie. Eén van die verhalen ging over een roversbende te Buggenhout. Ik heb het dikwijls horen vertellen door mijn grootvader Eugeen Meltens (Koekoekes Zjeen), en het verhaal werd vaak bevestigd door zijn tijdgenoten. Het ging als volgt:
tekening: Paul Mellaerts Cruysveltstede of Verhavertstede
In dat oude huis met een wal rond, waar nu de familie Van Belle woont, woonde lange tijd geleden een geestelijke, Verhavert. Op zekere nacht werden de bewoners overvallen door een bende rovers. De meid werd gegrepen en aan de trapleuning gebonden. De priester kon vluchten naar de bovenverdieping. Hij trok een raam open en schreeuwde om hulp: "Gebureman Heymans, help mij! gebureman Maes, kom mij helpen!" Veel volk woonde er toen niet in de vroegere Winkelstraat, maar de genoemden woonden allebei rechtover de walle. De avonturen van de daders en van de slachtoffers werden waarschijnlijk kleurrijk in de verf gezet, maar steevast met de onverwachte ontknoping: "Die gebuur Heymans behoorde zelf tot de bende en gebuur Maes was de roverskapitein!"
Over diezelfde Karel Maes gaat nog een ander verhaal. Uit familieoverlevering weet Leontine Van den Bossche dat één van haar voorouders - Franciscus Boeykens - een herberg 'Sint-Sebastiaan' hield op de hoek van Hanenstraat en Bovendonkstraat. Zijn huwelijk met Petronella Van den Eede was zeer vruchtbaar, want bij de geboorte van het zoveelste kind was in de familie geen peter meer beschikbaar. Hun dichtste buur Karel Maes - een deftig en zeer welstellende heer - was bereid daarvoor in te springen. De kleine Boeykens had er een goede peter aan, waar hij regelmatig zijn buikje mocht gaan vullen aan de rijke-mensen-tafel en telkens een gulle nieuwjaar kreeg. Vader Franciscus, die behalve herbergier ook landbouwer was, wilde op zekere dag een kalf verkopen op de Brusselse beestenmarkt. Dus vertrok hij met het kalf en vergezeld van een zoon te voet naar Brussel langs de Bosstraat en dwars door het lugubere bos te midden van de nacht. Zeer tevreden dat ze behouden en wel de 'Achterste Boskant' hadden bereikt, bemerkten ze nog licht in de beruchte herberg 'De Vuile Voorschoot'. Ze dronken er een druppel om hun emoties weg te spoelen. Gezeten in de gelagzaal, hoorden ze veel tumult in een aangrenzende kamer. Toen de deur toevallig werd geopend, zagen ze een lange tafel met spijs en drank en een menigte druk pratende mannen, met aan het hoofdeind... Karel Maes. Ten zeerste van streek maakten onze nachtelijke reizigers zich uit de voeten Achtergevel van de herenwoning van Karel Maes (tekening J.Tilley) Wie was die Karel Maes?
Geen van de vertellers had een benul van de tijd waarin hun verhalen zich afspeelden. Enkele opzoekingen leren ons dat niet alles verzonnen kan zijn.
Carolus Josephus Maes was een zoon van Jacob, geboren te Puurs omstreeks 1724 en van Catharina Judoca Peeters, geboren te Lippelo circa 1732. Zij huwden in 1755 en vestigden zich te Buggenhout. In 1774 kochten ze een eigendom te midden van het dorp, ongeveer waar later de maalderij 'De Kroon' kwam. Voorheen behoorde de eigendom toe aan Gillis Van Keer, meier van de heerlijkheid Buggenhout-Bournonville. Daar hielden ze een herberg 'Hof van Grimbergen' en ook een brandewijnstokerij. Onze Karel Maes werd in dit gezin als Carolus Josephus gedoopt op 29 juni 1757. Bij die doop is duidelijk te zien dat hij niet van gewone afkomst was. Niemand minder dan pastoor Antonius Van Leemput was zijn peter.
Als twintigjarige liet hij zijn oog vallen op de mooie en gefortuneerde dochter van drossaard Ludovicus Van Praet. Deze was eerst griffier geweest van enkele parochies, genoot het vertrouwen van de familie de Bournonville, die hem tot drossaard van haar gebied benoemde. Vanaf 1777 werd Van Praet drossaard van heel Buggenhout, want ook bij de heren van Grimbergen stond hij op een goed blaadje.
Karel Maes liep echter een blauwtje, want in 1781 liet schoonvader-in-spe officieel de hand van zijn dochter weigeren! En toch huwde Karel zijn geliefde (op slinkse wijze) op 21 mei 1782 in LIPPELO. Voor de H. Kerk wordt een huwelijk afgesloten voor een pastoor in het bijzijn van twee getuigen. Onze Karel paste een omzeiling toe door met zijn aanstaande en twee getuigen de pastoor van Lippelo te verrassen aan zijn deur... en ze waren getrouwd.
Ludovicus Van Praet woonde in de toenmalige Winkelstraat, rechts van het begin van de Langeweg. Zijn echtgenote, Maria Josepha de Latte, was vier maand voordien gestorven. Werd nadien de ruzie bijgelegd en trok het jonge koppel bij hem in? In ieder geval vinden we ze in dit huis in volgende periodes terug.
Onze 'gebureman' Maes past dus volledig in ons eerste verhaal. Ook geschiedkundig juist vinden we dat E.H. Carolus Verhavert, na de dood van zijn vader griffier Bernardus Verhavert in 1785, het oude huis uit 1660 bleef bewonen tot zijn dood in 1823.
Welk verband heeft deze historie met de Boerenkrijg?
Is de figuur van Karel Maes werkelijk een roverskapitein geweest, zoals hij bijna tweehonderd jaar werd afgeschilderd? Moeilijk te geloven als we nu weten dat hij van rijke afkomst is en zijn vrouw eveneens. Maar plots stuitten we op een document dat iets heel anders laat vermoeden...
Jozef Tilley
Lees het vervolg in Ter Palen, 23e jaargang, nummer 1, p. 53